QUI? Bart Van Loo (°1973) werkt
sinds enkele jaren aan een Frankrijktrilogie. Na het geprezen Parijs
retour. Literaire reisgids voor Frankrijk (2006) en het gesmaakte Als
kok in Frankrijk. Literaire recepten en culinaire verhalen (2008)
verschijnt begin 2010 het derde deel O vermiljoenen spleet! Seks, erotiek
en literatuur. Sinds jaren trekt hij als causeur door Vlaanderen en
Nederland om over zijn boeken te spreken. Teksten van zijn hand
verschijnen in Knack en De Standaard der Letteren. Hij is
bestuurslid van Pen Vlaanderen.
Jean
de La Fontaine (1621-1695) schreef de erotische en daarom door het
onderwijs eeuwenlang verborgen gehouden Contes et nouvelles,
maar werd wereldberoemd met zijn Fabels. Zelfs vandaag vind je
nog moeiteloos Fransen die de de berijmde vertellingen van La Fontaine
uit het hoofd citeren.
In deze nieuwe aflevering van TVlivre duikt Bart Van Loo in het
klassieke Frankrijk van de zeventiende eeuw, een eeuw die zich liet
voorstuwen door 'behagen en leren'. Alle grote literatoren schaarden
zich rond zonnekoning Lodewijk XIV, een soort Fonds voor de Letteren
avant la lettre. La Fontaine legde deze cultuur van vleierij vast in
zijn beroemde fabel Le corbeau et le renard, die hier
geserveerd wordt in een nieuwe vertaling.
TVlivre
steekt na een periode van stilzwijgen opnieuw van wal met een schier
onbekende, maar bloedmooie tekst van Baudelaire. Ik ontdekte "De
wijn" als bij toeval -zo gaat dat vaak met schoonheid- vertaalde de
zintuiglijke woorden van de grote Franse dichter, smokkelde ze Als
kok in Frankrijk binnen en tracht ze u bij deze heropstart van
TVlivre met succulente bevlogenheid voor te dragen.
Gustave
Flaubert - De meest geïnspireerde mopperaar uit
de wereldliteratuur
Ooit
ploegde ik half Frankrijk om in de sporen van Victor Hugo, Guy de
Maupassant, Honoré de Balzac en andere giganten. De in ons taalgebied
wellicht meest gelezen van allemaal hield ik voor op het einde. Het
oeuvre van Gustave Flaubert vond dan ook niet meteen de weg naar mijn
hart. Tot ik zijn brieven las.
Juli 2004. Het is volop zomer. Ik
heb behoefte aan Parijs. Tussen al het geschrijf en gereis door wil
ik eens gewoon naar de Franse hoofdstad. Naar de basiliek van
Saint-Denis, nog een keertje naar het musée Rodin, voor het eerst
door de wijk van Ménilmontant, de sfeer opsnuiven van de Franse
nationale feestdag... En vooral veel flaneren en lezen, van café
naar brasserie. Kijken naar de mensen. Een beetje schrijven. En
boekhandels binnenlopen natuurlijk. Op 14 juli valt mijn oog op een
selectie uit Flauberts correspondentie, en gebeurt waar ik niet meer
op gerekend had.
Ik zal niet vergeten waar. Aan een
tafeltje van Café Odessa, in de schaduw van de Montparnasse-toren
duikel ik alsnog Flauberts werk en leven binnen. Het hele beeld dat
ik van hem heb, gaat aan diggelen, maar vooral: zijn brieven grijpen
me naar de keel, mijn potlood streept onophoudelijk citaten aan in
de marge. De correspondentie loopt over van pessimisme, haat
tegenover het burgerdom, twijfels over de liefde en geklaag over de
moeizame vorderingen als schrijver.
Flaubert maakt brandhout van de
mythe als zou inspiratie als een schare engelen boven je dak hangen
en ongebreideld door de schoorsteen binnenstromen. Zijn niet altijd
even gepolijste zinnen bruisen, zitten vol leven en maken
onverwachte bochten. Ze staan mijlenver van het langdurig gerijpte
en tot in den treure toe bijgeslepen proza van zijn romans.
De sprankelend verpakte bevindingen
en inzichten zetten onherroepelijk aan tot schrijven. Tijdens het
lezen rijpen ideetjes voor breed uitwaaierende brieven naar de vrouw
die sinds enige tijd mijn gedachten in de weg loopt. Als ik die nu
eens zou doorspekken met zinnen uit Flauberts briefwisseling?
Pronken met andermans veren is natuurlijk uit den boze, maar
misschien heiligt het doel de middelen wel.
Ik kan niet wachten en begin te
schrijven op de witte onderlegger die ik op mijn tafeltje vind. En
dan gebeurt een klein wonder. Ik zie mezelf schrijven: "Beste
Gustave, jij bent de enige uit dit boek aan wie ik schrijf". Ik
aarzel slechts een seconde, bewaar de verbazing voor later, en blijf
schrijven. Zo komt het dat Parijs
retour eindigt met een hele rits brieven aan Flaubert. Een
poging om uit te vlooien waarom zijn oeuvre me zoveel moeite kostte,
maar ook een zoektocht naar het antwoord op de vraag waarom
literatuur zo belangrijk voor me is. Flauberts brieven bleken een
louterend eindpunt van jaren reizen, lezen en schrijven.
"Haat is een deugd",
schrijft de auteur van 'Madame Bovary' op 8 september 1871, meteen
goed voor de titel van de eerste van drie selectieve vertalingen uit
zijn correspondentie in ons taalgebied. De keuze is niet onterecht,
want hij doet weinig moeite om te verhullen dat hij een wandelende
brok haat is. "Ik haat het leven. Het hoge woord is eruit en
het blijve zo!" In een uitgelezen gezelschap ontpopt hij zich
als een joviale, goedige man, maar teruggetrokken in zijn
schrijfkamer, en daar slijt hij het gros van de tijd, verandert hij
in een nu eens geestige dan weer cynische misantroop die dat
godzijdank van zich af probeert te schrijven in ontelbare brieven.
"Je aan inkt bedrinken is beter dan brandewijn. Hoe bits de
muze ook is, zij geeft je minder verdriet dan de vrouw."
Maar ook dat schrijven wil maar
zelden echt vlotten. "De kunst bezorgt me soms aanvallen van
wanhoop om van te schreeuwen, en een dodelijke vermoeidheid, en dan
voel ik mij uitgeput alsof ik een gebergte op mijn rug tors. Ik
crepeer nog wel eens tussen twee volzinnen." Flaubert is de
meest geïnspireerde mopperaar uit de wereldliteratuur.
De lezers van het onvolprezen Privé-Domein
verkozen Haat is een deugd
in 2009 tot het mooiste ego-document uit de reeks. De concurrentie
was nochtans niet van de poes: Stefan Zweig, Elias Canetti, Klaus
Mann, Georges Perec... De kluizenaar van Croisset won de strijd der
titanen met 22% van de stemmen. Het boek verschijnt nu in een
speciale, met goud omlijste editie. Eigenlijk past hier maar één
houding: ren als de bliksem naar de dichtsbijzijnde boekhandel en
schaf u onverwijld deze jaloersmakend mooi geschreven brieven aan.
Weliswaar op eigen risicio. Misschien valt u na afloop ook wel ten
prooi aan enige epistolaire hartstochtelijkheid.
Maalstroom
van Henry Bauchau (96) - een intelligent en ontroerend boek
Een grote
roman over empathie, over datgene wat liefde en haat overstijgt, en ons
in staat stelt om onszelf beter te begrijpen. Zonder meer een absolute
aanrader.
Soms duurt het lang voordat grote schrijvers erin slagen het grote
publiek te beroeren. Henry Bauchau was 96 toen Le Boulevard Phériphérique
(nu vertaald als Maalstroom) vorig jaar meer dan honderdduizend Franse lezers wist te bekoren. Sandor
Márai, die andere grote Europese schrijver, heeft zijn grote succes dan
weer net niet mogen meemaken. Zoals Márai in zijn oeuvre op een heldere
en intelligente manier over de liefde schrijft, zo reflecteert Bauchau
in Maalstroom over de dood.
In die roman komen twee periodes uit het leven van een oude man samen.
In 1980 lijdt zijn schoondochter aan kanker en komen herinneringen aan
Stéphane naar boven, zijn goede vriend die omkwam tijdens de Tweede
Wereldoorlog. Aanvankelijk loopt het samensmeden van die twee periodes
stroef, maar gaandeweg raak je in de ban van een boek dat boven de tijd
verheven lijkt.
Samen met Stéphane ging de man klimmen in de Ardennen. Zijn vriend
hielp hem met gracieuse lichtheid over de moeilijkste punten heen. Stéphane
wordt vermoord door een SS-officier, een zekere Shadow. Na de oorlog
ontmoet de man de moordenaar van zijn vriend, en groeit Shadow voor hem
uit tot de incarnatie van het kwade. Terwijl zijn schoondochter sterft
wordt die tweespalt pas echt duidelijk. In navolging van Stéphane geeft
hij zich over aan “de logica van de hoop”, maar als hij het
ziekenhuis uitloopt, voelt hij hoe de schaduw van Shadow op hem drukt.
De weg naar het ziekenhuis, en daarna terug naar huis loopt over de
Parijse Boulevard Phériphérique. De oude man prevelt telkens “de
namen van de poorten als de gebeden van een rozenkrans”. De Boulevard
Périphérique uit de roman is een metafoor voor het moeizame leven, de
plek waar we vastlopen in de maalstroom van onze zorgen en gedachten die
ervoor zorgen dat we de kern van het leven nooit bereiken.
De 96-jarige Bauchau verleent zijn stem aan een man die stukje bij
beetje beseft dat de dood juist de kern van het leven is. Met Maalstroom
schreef hij een intelligent en ontroerend boek over God en de
duivel, over het goede en het kwade. Bauchau velt geen oordeel.
Maalstroom is integendeel een grote roman over empathie, over datgene
wat liefde en haat overstijgt, en ons in staat stelt om onszelf beter te
begrijpen.
Roger
Martin du Gard won in 1937 de Nobelprijs voor Literatuur, maar hij zou
nog moeten wachten tot 2008 om ook bij ons enige bekendheid te
verwerven. Toen verscheen het vuistdikke en bejubelde Luitenant-kolonel
de Maumort (postuum 1983) en nu ligt ook Het
oude Frankrijk (1933) in de boekhandel.
Terwijl zijn twee honden Pic en Mirabole achter hem aanhollen,
schuimt de fietsende postbode Joigneau het hele dorp af. Hij gebruikt
zijn brieventas als pasmunt om overal binnen te dringen. Zo nu en dan
stoomt hij een aantal brieven open om smoezelige zaakjes naar zijn
hand te zetten. De verteller zit op zijn bagagedrager en ontdekt dat
het ogenschijnlijk ingedommelde plattelandsleven in Mauprey doorweven
is met verborgen tragiek. Zo is er de arbeider die tot voor kort zijn
echtgenote verrot sloeg, maar nu zijn benen dienst weigeren aan haar
is overgeleverd. En de mollige dame die zich prostitueert om haar
brave echtgenoot een zorgeloze oude dag te bezorgen, maar hem gek
maakt van jaloezie. Of ook nog de in hun idealisme gefnuikte
dorpspastoor en schoolmeester. Het stemt de verteller niet
optimistisch en uiteindelijk stelt hij zich duidelijk vragen bij het
menselijk gewriemel. “Zij maken wel tien overbodige bewegingen voor
één nuttige (...) alsof het dagelijks brood inderdaad slechts
gewonnen kan worden voor letterlijk hetzelfde gewicht aan zweet.”
Het oude Frankrijk is geen stilistisch noch literair-technisch
spektakelproza. Dit volgens du Gard “simpele album met
dorpschetsen” knoopt aan bij de traditie van kortverhalen à la
Maupassant. Dankzij de fietsende postbode Joignau rijgt de auteur de
kleine wedervarens van de dorpsbewoners tot een pretentieloos maar
bekoorlijk halssnoer van nu eens tragische dan weer komische
taferelen. Geen meesterwerk, maar de perfecte vakantielectuur voor een
lome dag in een vergeten dorpje in pakweg de Nièvre of de Creuse,
waar je met je eigen ogen de gevolgen kan vaststellen van de
plattelandsvlucht die du Gard visionair aankondigt in dit werk uit
1937.
Roger Martin du Gard, Het
oude Frankrijk, vertaald door Jan Keppler, Veen. Dit stuk verscheen eerder in Knack.
Met
de snelheid van een postkoets:
de ontdekking van Frankrijk door Graham
Robb
Een fiets en een bibliotheek, meer had
Graham Robb niet nodig om Frankrijk te leren kennen.
De Brit Graham Robb, geprezen auteur van biografieën over Balzac en
Hugo, stelde op een dag vast dat zijn indrukwekkende kennis van de
Franse cultuur eigenlijk niet veel verder reikte dan de buitenste
boulevards van Parijs en het wedervaren van de grootste Franse
schrijvers en koningen.
Die vervelende onwetendheid vormde het startschot voor een wel erg
bijzondere onderneming: de ontdekking van Frankrijk. Hij haalde zijn
fiets van stal en reisde het land door 'met de snelheid van een
negentiende-eeuwse postkoets'. Die tocht stelde hem in staat om
geleidelijke veranderingen in het landschap te registreren, oude
veepaden of richelwegen te volgen en om talloze mensen te ontmoeten.
Tussen de reizen door dook hij in ontelbare boeken. 'Dit boek is het
resultaat van ruim tweeëntwintigduizend kilometer in het zadel en vier
jaar in de bibliotheek', heet het.
In het eerste deel graaft Robb op antropologische wijze in het
verleden van de verschillende Franse bevolkingsgroepen. De auteur legt
de leefwereld van de modale Fransman bloot vanaf het tijdperk van
Lodewijk XIV tot vandaag, een universum dat zich tot aan de uitvinding
van de fiets en de trein beperkte tot een straal van twintig kilometer
en 'een bevolking die gemakkelijk in een kleine schuur paste'.
Een verhaal van weersomstandigheden, ziekte, racisme, onwetendheid,
bijgeloof, pelgrimspaden en onbegrijpelijke dialecten. Ter illustratie:
in 1880 kon ongeveer een vijfde van de Franse bevolking een gesprek
voeren in de moedertaal; een gedreven taalpolitiek zou daar verandering
in brengen.
In het tweede deel brengt hij het land letterlijk in kaart. Van de
eerste pogingen van de achttiende-eeuwse cartografenfamilie Cassini via
de ontdekking van de Gorges du Verdon in 1906 tot de twintigste-eeuwse
discussies over welke plek het geografische middelpunt van de Franse
Zeshoek is.
Dankzij die eerste kaartenmakers kon de romantische schrijver Prosper
Mérimée bijvoorbeeld het land doorkruisen en in zijn hoedanigheid van
inspecteur van historische monumenten vanaf 1834 heel wat fraais van de
ondergang redden. Frankrijk dankt aan de auteur van Carmen
(1847) niet alleen het behoud en de restauratie van de Pont du Gard en
de basiliek van Vézelay, maar ook van de kathedralen van Laon en
Straatsburg.
Robb herlas de eerste reisgidsen van eeuwen geleden, en kan zo van
naaldje tot draadje aantonen hoezeer de aanblik van het land in de loop
van de laatste honderdvijftig jaar is veranderd. Daarbij toont hij en
passant aan dat het vooral de verkoopstrategieën van naar Parijs
afgezakte commerçanten waren die ervoor zorgden dat bepaalde producten
nadien uitgroeiden tot klassieke streekproducten.
Of dat de eerste ansichtkaarten uit de negentiende eeuw met Bretonse
dames in traditionele klederkracht eigenlijk ongeloofwaardige
tafereeltjes zijn uit een wereld die allang verdwenen was. De zo vaak
bezongen authenticiteit blijkt vaak niet veel meer dan een gewiekste
marketingvondst.
De ontdekking van Frankrijk is
een historische reisgids waarin 'Frankrijk' meer betekent dan Parijs en
een handvol historische figuren. Robb begeeft zich mijlenver van
platgetreden paden, en brengt zoveel informatie samen dat zijn
monnikenwerk makkelijk de grondstof kan vormen voor een tiental andere
boeken.
Nu en dat zit die accumulatie van kennis de organische opeenvolging
van hoofdstukken en verhaallijnen in de weg, maar die goudmijn aan
functionele anekdotes en wetenswaardigheden doet de lezer tegelijkertijd
net hongerig doorlezen. Dit vuistdikke boek is een bezielde, deskundige
en overrompelende ontdekking van een land dat niet ophoudt tot de
verbeelding te spreken.
* Graham Robb, Geboren in Manchester in
1958. Schreef biografieën over Victor Hugo, Honoré de Balzac en Arthur
Rimbaud. Kreeg voor De ontdekking van Frankrijk de Royal Society of
Literature Ondaatje Prize 2008. Werkt momenteel aan een geschiedenis van
Parijs.
* Dit stuk verscheen in het weekblad Knack
(12/8/2009).
Scenario voor een geliefde:
"Een Russische roman" (Emmanuel Carrère)
Hoe
angstvalliger Emmanuel Carrère de dingen en de mensen naar zijn hand wil
zetten, des te meer het leven hem ontglipt. Hij zoekt zich dan maar
schrijvend een uitweg.
Hoever kan een schrijver gaan wanneer hij in een boek niet alleen zijn eigen
leven, maar ook dat van zijn naasten te grabbel gooit? Een
Russische roman is een autobiografisch verhaal dat helemaal
onder de noemer valt van de in Frankrijk steeds vaker verguisde autofiction.
Het moet voor de ex, de nieuwe partner en de moeder van de auteur een harde
dobber geweest zijn. Emmanuel Carrère schreef het boek om Sophie voor zich
terug te winnen, de vrouw met wie hij een tot in de intiemste details
beschreven passionele relatie beleeft die slecht afloopt. Zijn nieuwe
partner mag de wellustige liefdesverklaringen lezen die voor een ander zijn
bestemd. En zijn moeder vindt van naaldje tot draadje het geheim verteld dat
zij al heel haar leven probeert verborgen te houden. Waar ligt de grens bij
het publiceren van zulke intieme beslommeringen? Een moeilijke vraag, waar
het boek geen antwoord op geeft. Voor niet-belanghebbenden, zoals u en ik,
overstijgt Een
Russische roman gelukkig ruimschoots die kwestie.
Onder de mom het bizarre wedervaren van
een Hongaarse vluchteling uit te vlooien, trekt de auteur naar Rusland.
Tijdens zijn verblijf probeert Carrère zich op een bijna dwangmatige
manier het Russisch eigen te maken. Hoe harder hij studeert en ploetert,
hoe minder het hem lukt. Ondertussen hoopt hij vooral dat de bizarre
levensloop van die Hongaar hem in staat zal stellen om het obscure lot
van zijn eigen Russisch sprekende grootvader te ontrafelen - en de angst
te bezweren die volgens hem anders nog een generatie langer op zijn
familie zal wegen. Carrères moeder eist bijna hysterisch dat hij het
verhaal van haar vader, die fout was in die oorlog, verzwijgt. Jammer
voor haar, maar zoonlief kiest voor zichzelf. Helemaal doorgronden zal
hij het wedervaren van zijn grootvader evenwel nooit.
De auteur heeft graag de touwtjes
stevig in handen. Zo schrijft hij een originele liefdesverklaring die
(ook in werkelijkheid) op zaterdag 20 juli 2002 in Le
Monde verschijnt, en die Sophie om 14.15 uur tijdens het
treintraject Parijs-La Rochelle zal lezen. Enfin, dat hoopt hij toch, en
hij heeft daarom voor haar het juiste treinticket al geruime tijd op
voorhand gekocht. Helaas volgt zijn geliefde die dag haar eigen
scenario: ze leest zijn verhaal niet, en laat de trein passeren. Zijn
tot in de kleinste details voorbereide amoureuze triomf luidt net het
einde van hun relatie in. Ondertussen leest half Frankrijk wel mee, en
ontvangt hij op zijn expliciet vermelde e-mailadres meer dan tweeduizend
overwegend positieve reacties op zijn onverbloemd erotische tekst.
Angst en controledrang beheersen niet
alleen dit boek, ze lijken er ook aan ten grondslag te liggen. Hoe
angstvalliger Carrère de dingen en de mensen naar zijn hand wil zetten,
des te meer ontglipt het leven hem. Dit autobiografische kluwen is het
verhaal van een man die zich dan maar schrijvend een uitweg zoekt. Een
Russische roman mag dan geen roman zijn, hij is wel erg romanesk.
Familiegeheimen, tragische liefdesperikelen, een stevige dosis erotiek,
een gewelddadige moord en een trieste zelfdoding. Carrère brengt deze
elementen op een hardnekkige wijze met elkaar in verband, en monteert de
steeds vluchtende werkelijkheid tot een verhaal dat regelmatig uit
elkaar dreigt te spatten. Uiteindelijk slaagt hij erin de verschillende
verhaaldraden te ontrollen en door elkaar te weven. In de literatuur
haalt de auteur met brio zijn gram op het leven.
Als
Emmanuel Carrère op het punt staat naar Rusland te vertrekken voor een
filmreportage over een Hongaarse boer, ontmoet hij Sophie: het is de start
van een heftige liefde.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt een Hongaarse boer geronseld door de
Wehrmacht. In 1944 wordt hij door het Rode Leger krijgsgevangen gemaakt,
waarna hij wordt opgenomen in een psychiatrisch hospitaal in het Russische
stadje Kotelnitsj. Pas na 56 jaar wordt zijn onterechte aanwezigheid in
het ziekenhuis bij toeval ontdekt. Eindelijk kan hij gerepatrieerd worden
naar zijn geboorteland, Hongarije.
Deze twee gegevens komen samen in Een Russische roman. De auteur
ontdekt dat het verhaal van de Hongaarse boer op meerdere manieren
verweven is met zijn eigen leven. Hij en zijn filmploeg krijgen in
Kotelnitsj, waar nooit iets lijkt te gebeuren, te maken met een
gruwelijke, bloedstollende misdaad.
* 'Een magistraal boek over het kwaad, de schijn en een noodlottig
dubbelleven.' – Le Nouvel Observateur
ISBN 9789029566971
| 272
pagina's | € 19,95 Uitgeverij De Arbeiderspers
Het leven en de dood op de tast: In het café
van de verloren jeugd
Een roman vol trefwoorden als
"wegwijzer" en "stuurloosheid"?
Dat moet de nieuwe
Modiano zijn!
Het is ondertussen veertig jaar geleden dat Patrick Modiano de Franse
literaire scène verraste met De plaats
van de ster. In dit verhaal graaft de verteller op geheimzinnige
maar intrigerende wijze in het verleden, een literaire tactiek die
ondertussen als zijn handelsmerk wordt beschouwd. De roem volgde in 1978
met De straat van de donkere winkels
dat hem de Prix Goncourt opleverde. In dit verhaal valt de moeizame
zoektocht van het hoofdpersonage, iemand met geheugenverlies, naar zijn
ware identiteit perfect samen met de sfeer en structuur van een thriller.
Auteurs als Peter Handke en Milan Kundera riepen zich uit tot grote
bewonderaars. De Franse auteur bouwde een consequent oeuvre uit dat verder
meesterwerkjes bevat als het broeierige Zondagen
in augustus (1986) en het autobiografische Stamboek
(2005).
In zijn recentste roman In het café
van de verloren jeugd richt Modiano zijn vizier op Louki, een jonge
vrouw die als een schim door Parijs dwaalt, op zoek naar zichzelf. “Ze
wilde ontsnappen, steeds verder vluchten, radicaal breken met het gewone
leven – om vrij te kunnen ademen”. Het verhaal van Louki doet in dat
opzicht veel denken aan de (helaas te weinige bekende) psychologische
romans van Georges Simenon. De lezer bekijkt Louki’s
ontsnappingspogingen door de ogen van vier personages. Een toevallige
passant in een café, haar wettelijke echtgenoot, de privé-detective die
door deze laatste wordt ingehuurd wanneer ze het hazenpad kiest, en
tenslotte haar minnaar Roland die haar uiteindelijk ook verliest.
Jaren later keert Roland terug naar de plekken waar hij met Louki
ronddwaalde. Van de referentiepunten in zijn geheugen blijft niet veel
over. De tijd gaat als een spons over het verleden. Modiano probeert op
basis van enkele raadselachtige details vanuit het quasi niets toch tot
iets te komen. “In dit leven, dat soms veel weg heeft van een
braakliggend terrein zonder wegwijzers, zou je tussen alle vluchtlijnen en
verloren horizonnen een paar aanknopingspunten willen vinden en een soort
kadaster opstellen, om niet langer het gevoel te hebben dat je stuurloos
rondzwerft”, legt Modiano de privé-detective in de mond. De woorden
“kadaster”, “aanknopingspunt”, “wegwijzer” en “stuurloos”
zijn typisch voor Modiano. Om toch maar een houvast te hebben, smokkelt
hij talloze straatnamen, telefoonnummers en boek- en liedjestitels zijn
verhaal binnen. Zo spint hij kleine bijzonderheden tot een verhaal waarin
Louki op aangrijpende wijze verloren loopt.
Als vanouds offreert hij de lezer het haast topografische verslag van
een literaire queeste doorheen het labyrint van de verloren tijd. Dat
werkt aanstekelijk. Samen met Modiano flaneer je over de hellingen van
Montmartre, langs de bochten van de Seine, de mooie huizen van Auteuil en
de mistige cafés van Saint-Germain. Hoe beter je Parijs kent, hoe meer
je geniet. Hoe minder je Parijs kent, hoe groter het verlangen wordt het
beter te leren kennen. Roland blijft doelloos ronddolen, Louki kiest voor
de absolute vlucht, de andere personages verdwijnen in de meanders van de
tijd. En Modiano zelf? Zoals hij in zijn vorige roman Stamboek
subtiel schetst, blijkt de literatuur voor hem de juiste vluchtroute. Ook
op dat punt kun je hem vergelijken met de door hem bewonderde Simenon.
Deze boeiende strijd tegen de kracht van het vergeten is geschreven in
een erg sober proza dat veel weet te suggereren, maar even ongrijpbaar is
als de personages van de 63-jarige Franse auteur. Ogenschijnlijk
vederlicht en toch behoorlijk melancholisch. Verwarrend en troebel, maar
tegelijkertijd precies en topografisch. Meestal zijn Modiano’s romans
gewoon goed, nu en dan ijzersterk. Zijn laatste roman behoort zonder enige
twijfel tot de tweede categorie.
Patrick Modiano (1945) is de zoon van een
Italiaanse jood en een Belgische moeder. Deze timide, teruggetrokken man
veroverde het hart van de Franse lezer met zijn stuntelige, maar
alleraardigste optredens tijdens de befaamde boekenprogramma’s van Bernard
Pivot. Hij serveert zijn typische proza steevast in dunne, vlotlezende boeken
waarmee hij zowel de Prix Goncourt als de Grand prix du Roman de l’Académie
française won. Hij is onbetwistbaar een van de grootste nog levende en
tegelijk populairste Franse schrijvers.
Deze tekst verscheen eerder in Knack.
De roman In het café van de verloren jeugd
werd vertaald door Maarten Elzinga en uitgegeven door Querido.)
Boek bestellen? Klik op de titel.
ISBN 9789021434209 | 164 pagina’s
€ 16,95 |
Uitgeverij Querido
La
nouvelle Citroën DS va arriver!
Autoliefhebbers aller landen hadden zich
reeds opgemaakt voor een glorieuze en blijde herintrede. De Franse
automaker Citroën was naar verluidt immers zinnens om de
legendarische Citroën DS opnieuw te gaan produceren. Het model rolde
tussen 1955 en 1975 onophoudelijk van de fabrieksbanden en schopte het
tot “voiture officielle de la présidence de la République” ten
tijde van Charles de Gaulle. Hieronder ziet u een filmpje over de
voorstelling van de wagen op het Parijse autosalon in 1955.
Nostalgie
en economie Na de MiniCooper en de Beetle laat dus
ook Citroën zich meedrijven op de vleugels van de nostalgie.
Misschien, zo werd links en rechts geopperd, dat het oude model de
tegenvallende autoverkoop opnieuw de hoogte in zou drijven. Wat
nostalgie én hoogte betreft, moet u zeker het (bijgevoegde)
hilarische fragment uit de vermaarde Fantomas-films bekijken. De Funès
probeert de vluchtende gangster Fantomas te achtervolgen. Die is
evenwel vertrokken in een ongrijpbare Citroën DS. De bloedmooie
luxevoiture spreidt niet veel later zijn verborgen vleugels en kiest
zowaar het luchtruim. De Funès kaapt vervolgens onverstoord een
vliegtuig en zet de piloot op weg met de onvergetelijke woorden:
“Suivez cette voiture!”.
Ontknoping
Spijtig genoeg is de zogenaamde
autoverrijzenis alleen maar een promostorm in een glas water.
Citroën zal inderdaad met een DS-serie uitpakken, evenwel geen
nieuwe versie van de oude klassieker, maar een gewone ruime
monovolume. Driewerf helaas. De meeste stervelingen kunnen voor de
Déesse voorlopig nog steeds alleen maar terecht bij Franse films
met het patina van de goede jaren. Altijd een goede reden trouwens
om nog eens een oude prent op te duikelen, en alsnog vervuld te
geraken van de schoonheid van een weliswaar driftig drinkende en
stijlvol verspillende automobiel met klasse.
Victor Hugo in het
Nederlands - De
mooiste van...
Vertaler en
dichter Koen Stassijns maakte een uitmuntende vertaling van een selectie
gedichten uit het monumentale oeuvre van Victor Hugo. Hierbij alvast,
naast enige commentaar, zijn versie van het gekende Demain,
dès l’aube, netjes geplaatst naast dat van de meester. Een confrontatie in woord én
beeld!
In februari 1843 trouwt Hugo’s lievelingsdochter Léopoldine met
Charles Vacquerie uit Villequier, gelegen aan een bocht van de Seine in
de Haute-Normandie. Een huwelijk dat in de knop gebroken wordt. Op 4
september keren Léopoldine en Charles per boot terug uit Le Havre. Vlak
bij Villequier stoten ze op een zandbank en verdrinken in de woelige
stroming van de Seine. Hugo verblijft dan met zijn minnares Juliette
Drouet in Spanje. Tijdens de nacht van 4 september raakt hij moeizaam in
slaap en droomt over een storm op zee. Vijf dagen later keert hij terug
naar Frankrijk via Rochefort aan de Atlantische kust. In een café ligt
een opengeslagen krant. Zijn oog valt op een overlijdensbericht. De
tijding van de dood van zijn dochter en van de begrafenis drie dagen
tevoren. Je kunt het je in onze tijd van bliksemsnelle communicatie
amper voorstellen. Een bliksemschicht bij heldere hemel, gevolgd door
een lange periode van duisternis.
Geplaagd door schuldgevoelens weigert Hugo jarenlang iets te publiceren.
Ondertussen schreeuwt hij zijn verdriet wel uit in ontelbare verzen. Het
bekendste gedicht terzake is Demain
dès l’aube à l’heure où blanchit la campagne. De kracht
van deze tekst ligt vooral in de pointe. Aanvankelijk lijk je de
beschrijving van Hugo’s tocht naar zijn geliefde te lezen. De laatste
verzen maken duidelijk dat hij op weg is naar het graf van zijn dochter,
een tocht die hij pas drie jaar na haar overlijden aandurft.
Dankzij de pas verschenen De
mooiste van Victor Hugo (2008) kun je dit gedicht nu ook lezen in
een uitgebalanceerde Nederlandse vertaling (Voor
dag en dauw als licht al aanbleekt op het lover) die andere geïsoleerde
pogingen uit ons taalgebied naar de archieven verwijst. Vertaler Koen
Stassijns is bij mijn weten de eerste die zich waagt aan een vertaling
van een aanzienlijke dosis poëzie van Frankrijks vaderlandse dichter
bij uitstek.
Om zijn indrukwekkende vertaalwerk eer te betonen, las ik dit gedicht
voor aan de Seine, in Parijs weliswaar. Een kleine camera vereeuwigde
dit moment. Een mooie vrouwelijke stem op de achtergrond nam de Franse
verzen voor haar rekening. Je ziet in de verte de door de Franse gigant
grandioos bezongen Notre-Dame en vlakbij een meeuw die bij het aanhoren
van Hugo’s verdriet meteen het hazenpad kiest.
Demain,
dès l’aube, à l'heure où blanchit la campagne
(Voor dag en dauw, als licht al aanbleekt op het lover uit de bundel
De mooiste van Victor Hugo bladzijde 90,91)
"Liefdesverklaring".
Wonderlijke ontmoeting met Nobelprijswinnaar Le Clézio
Enkele jaren
geleden zat ik met Jean-Marie Le Clézio aan tafel. De Nobelprijswinnaar
toonde zich een bijzonder alert en hulpvaardig man.
Amsterdam, maart 2004. Vanavond wordt het boek Nice.
Muze van azuur voorgesteld, een bundeling van teksten over de
innige band die ontelbare schrijvers hadden met deze Zuid-Franse stad.
Samensteller Dirk Leyman had me gevraagd of ik mee het woord wilde
voeren op de presentatie. In afwachting versterken we de inwendige mens
in een eetcafé. Er zijn een tiental disgenoten. Het toeval wil dat ik
recht tegenover J.M.G. Le Clézio zit, de eregast van wie een tekst in
het boek is opgenomen. Hij vraagt me naar mijn bijdrage. Ik vertel hem
hoe ik in de voetsporen van Maupassant door de stad was getrokken. Hoe
de sluipdoder syfilis er hem voorgoed in de ban kreeg. Dat ik voor mijn
op stapel staande boek Parijs
retour zowat heel Frankrijk doorkruis teneinde alle plekken uit
de levens en romans van mijn geliefde negentiende-eeuwse romanciers te
betreden, te betasten en te ruiken. Hij bekijkt me lichtjes argwanend,
maar lacht me toch bemoedigend toe als ik even zwijg. Dat ik van lezen
weer een avontuur wil maken. Er valt een stilte. Graag wil ik hem zeggen
hoe gulzig ik die week zijn Gouden
vis heb verslonden. Ik schraap mijn keel, maar word onderbroken
door uitgever Bas Lubberhuizen, die met een parmantige zwier het eerste
exemplaar van Nice.
Muze van azuur
op de vochtige tafel gooit. Met een lichte paniek in de ogen grist Le Clézio
De Telegraaf van een stoel, schuift het in een oogwenk onder het
vallende boek, en redt het op het nippertje van een gewisse waterdoop.
Le Clézio en ik verlaten samen het café. Hij ziet dat ik een enorme
koffer meezeul. 'Het ziet ernaar uit dat u lang in Amsterdam blijft',
zegt hij. Ik vertel hem dat het maar schijn is en dat in de koffer de
beloning zit voor mijn nawoord bij de vertaling van L'assommoir
van Emile Zola (De
nekslag, vertaald door Hans van Cuijlenborg). 'U lijkt me goed
betaald', mompelt hij verbaasd. Ik zeg hem dat ook dat maar schijn is.
Op de valreep weigerde uitgeverij Veen mij immers uit te betalen, en
stelde voor dat ik als beloning een koffer boeken uit hun fonds zou
kiezen. Ik wilde hen goede manieren leren en was met mijn allergrootste
koffer naar Amsterdam afgezakt. Die namiddag had ik hun collectie
klassieke Franse vertalingen geplunderd. Ondertussen staan we buiten,
bovenop de typische trappen die de Amsterdamse herenhuizen sieren. 'Ik
help je wel een handje', zegt de Franse auteur, en voor ik het besef
dalen we de trap af. Lichtjes kreunend. Hij bovenaan, ik vanonder.
Stapje voor stapje dragen Le Clézio en ik meesterwerken van Balzac,
Zola, Maupassant en Flaubert naar beneden.
Het is gelukt. We maken aanstalten om een gracht over te steken. De
beminnelijke Le Clézio vraagt of dat zal lukken. Ik denk het wel. Mijn
uit de kluiten gewassen koffer heeft wieltjes. Ik kan hem makkelijk voor
me uit duwen. 'Maar dan neem ik minstens die plastic tas van je over',
zegt hij behulpzaam. Die hangt over mijn schouder. Verdraaid onhandig.
Ik geef hem de tas, die hij net niet uit zijn handen laat glippen. Er
zit een kleine scheur in. Plots besef ik dat hij nu het manuscript van Parijs
retour in handen heeft, dat ik had meegenomen om het op de trein
te kunnen herlezen. Mijn liefdesverklaring aan de Franse literatuur
belandt van de ene seconde op de andere in de handen van de zowat
grootste nog levende Franse schrijver. Je moet van steen zijn om daar
niets bij te voelen. Ik blijf staan en kijk hoe Le Clézio er met enige
moeite de pas inzet. 'Als de tas het houdt tot de overkant en niet
scheurt, komt het allemaal goed met mijn boek', schiet het door mijn
hoofd. Met kloppend hart zie ik hem naar de overkant slenteren.
Probleemloos. Aangekomen kijkt Le Clézio om en merkt dat hij alleen is.
Hij roept vragend of er iets is. 'Niets', schreeuw ik een weinig te
enthousiast, 'er is helemaal niets aan de hand!' Voor zover de Franse
klassiekers het toelaten, hol ik hem glimlachend tegemoet.