|
Begin augustus verscheen het nieuwste
deel in de Perpetuareeks: Michel de Montaignes Essays, in de
vertaling van Hans van Pinxteren, met een nawoord van Afshin Ellian:
De
essays is de eerste en nog steeds de rijkste, persoonlijkste en
beroemdste essaybundel van de wereldliteratuur. Montaigne stelt op zeer
beeldende en levendige wijze essentiële levensvragen aan de orde over
dood, vriendschap, erotiek, wijsheid, angst, hartstocht en godsdienst. Het
is een lijfboek geworden van vele lezers: een boek dat niet in de
boekenkast maar op het nachtkastje thuishoort, een soort boezemvriend die
je elke dag wel even wilt zien.
Michel de Montaigne (1533-1592) is de
schrijver van eigenlijk maar één werk, De essays. Na zestien
jaar werkzaam te zijn geweest voor het gerechtshof van Bordeaux trok hij
zich uit onvrede met het verloop van de gerechtelijke processen terug uit
het openbare leven om zich toe te leggen op het schrijven van zijn
inmiddels beroemde essays.
Een gevaarlijk besluit, namelijk het
christelijke besluit, om de wereld lelijk en slecht te vinden, heeft de
wereld lelijk en slecht gemaakt, aldus Friedrich Nietzsche. Deze scherpe
veroordeling van het christendom is in ieder geval van toepassing op één
historische periode van de Europese geschiedenis: de godsdienstoorlogen.
De oorlog tussen katholieken en lutheranen bracht een einde aan de
middeleeuwse heerschappij van het christendom. Tegelijkertijd werd de
geboorte van een nieuwe wereld aangekondigd. Niet meer de zekerheid, maar
de onzekerheid werd het vertrekpunt. Michel de Montaigne is de stem, de
zachte stem van die tijd. De herfsttij van de middeleeuwen stond in de
schaduw van bloedbaden, aangericht door godsdienstfanatici.
De politieke wereld van renatio
(die men later Renaissance is gaan noemen) beoogde de geestelijke
wederopstanding van Europa. In deze culturele en politieke atmosfeer werd
op 28 februari 1533 Michel de Montaigne geboren. Hij kreeg een strenge
humanistische opvoeding. Op dat moment waren twee belangrijke politieke
figuren zeer actief in hun strijd tegen de heerschappij van de katholieke
kerk: Hendrik viii (koning van Engeland vanaf 1509 tot
zijn dood 1547) en natuurlijk de Duitse monnik Maarten Luther.
Op de nacht van 23 augustus 1572 werd
onder de hugenoten in Parijs en ook elders een ongekende slachting
aangericht. Sint-Bartholomeus-nacht zou nooit vergeten worden. Die nacht
veroorzaakte de politiek een noodlottige tragedie. Een koninklijk huwelijk
vormde het decor van moordpartijen en verkrachtingen. Meer dan
twintigduizend protestanten werden in deze periode gedood in naam van de
katholieke kerk en zijn middeleeuwse idealen. Wat had dan de renatio, de
geestelijke wederopstandig voortgebracht? Waartoe had de renaissance
geleid? Was dat het humanisme? Sint-Bartholomeus-nacht is een vorm van
religieus kwaad dat wellicht alleen Marquis de Sade kon inspireren tot nog
meer kwaad en oergeweld in zijn boeken. Wat deed Montaigne, rond deze
tijd, de tijd van dit drama?
In die dagen was de ridder in de orde van
Saint-Michel in zijn kasteel bezig met het schrijven van essays. Al bij
zijn eerste essay komt hij tot deze conclusie: ‘Ja, de mens is een
verbazend ijdel, complex en veranderlijk wezen. Je kunt er haast geen
staat op maken of er algemene uitspraken over doen.’ Met deze treffende
regels rekende Montaigne af met alle religieuze oordelen over de mens. De
eeuwige mens bestaat niet. Heeft deze uitspraak een historisch
intellectuele betekenis? Hij construeerde de fundamenten voor de moderne
wetenschap en literatuur. Hiermee begon de moderniteit in de westerse
cultuur. Sint-Bartholomeus-nacht bewees dat het goede (de katholieke
krachten) het kwade (verkrachting en moordpartijen) in de wereld kan
bewerkstelligen. Is het mogelijk dat het kwade per ongeluk het goede zal
bewerkstelligen? Een omkering van alle waarden!
Montaigne schreef geen boek (of boeken)
om een nieuw filosofisch systeem te ontwerpen. Evenmin wilde hij het
raadsel van het heelal ontrafelen. Daarom schreef hij essays. Een essay
betekent immers een poging. Wie een essay schrijft, poogt daarmee een zaak
te ontvouwen, te doordenken, te bespreken en te problematiseren. Dit in
sterke tegenstelling tot de scholastieke filosofie, die was gefundeerd in
een rationeel systeem van aristotelische en neo-aristotelische logica.
Alles was gebaseerd op een systeem, een geordend geheel van uitspraken
over de werkelijkheid. De werkelijkheid wordt in de traditie van
metafysica als geheel genomen en geanalyseerd. Men bouwde voortdurend
verder aan een metafysische huis van het denken. Als men over de waarheid
wilde schrijven en denken, dan diende men vanuit het reeds bestaande
systeem vragen en mogelijke antwoorden te poneren over de aard en het
wezen van waarheid. Deze strakke structuren waren voor denkers een bron
van zekerheid.
De algemene uitspraken over de mens en de
werkelijkheid hadden tevens betrekking op die logische (in zekere zin
metafysische en theologische) structuren. Met Montaigne begon een
deconstructieve beweging die reeds bestaande structuren van het denken ter
discussie wilde stellen. Deconstructie is een fundamentele aanpak. Dat
heeft niks te maken met cynisme. Het essay voegde tegelijkertijd een
nieuwe kwaliteit toe aan het filosofische denken: de schoonheid. De
filosofische schoonheid was tot dan toe voornamelijk gebaseerd op het
zuivere denken. De perfecte, foutloze meetkunde bijvoorbeeld
representeerde de schoonheid. Montaigne voegde iets nieuws toe aan de
filosofische schoonheid toe: een essay moet uit een aantal elegante
uitspraken bestaan. Hij nodigde de filosofen uit om het formuleren van
mooie zinnen niet alleen maar aan dichters over te laten. De filosofie,
zelfs bij Plato, maar vooral bij pre-socratische denkers, ontkende de
noodzaak van de talige elegantie niet. Maar de scholastieke filosofie en
de literatuur hadden geen relatie met elkaar: filosofie is geen literatuur
en ook de literatuur is geen filosofie. Omdat beide disciplines in de taal
wonen en werken, treffen ze elkaar vaak in kleine ruimtes van
tussenwerelden. Literatuur en filosofie kunnen elkaar inspireren, omhelzen
of afstoten. Denken en taal, daar waar ze samenstromen ontstond de rede,
zo dacht men.
De aforistische geschriften werden in de
scholastiek naar de marge geduwd. Montaigne bracht het aforistische denken
weer tot leven. Dit is een echte renatio: een geestelijke wedergeboorte.
Het filosofische essay als een methode van denken en schrijven bracht ons
dichter bij de Romeinen en Grieken. De wereld van Lucius Annaeus Seneca
bracht opnieuw een verkoelende schaduw waar literaire en filosofische
reizigers hun toevlucht konden nemen. Met Montaignes Essays werd
niet alleen een methode maar ook een nieuwe wereld geboren. De wereld van
perspectieven en toevalligheden. Goed en kwaad zijn niet de ijkpunten van
het leven. Deze herwaardering van de neutraliteit is een groot perspectief
dat Montaigne aan het Europese denken heeft aangereikt. Hierin blijkt geen
plaats meer te zijn voor de middeleeuwen.
Montaigne zag de wereld niet als
metafysisch geheel. Er zijn daarentegen wel perspectieven waarmee de
wereld kan worden uitgelegd en begrepen. Hier zien we ook de geboorte van
de fragmentatie binnen het denken: de opkomst van nieuwe disciplines
binnen de wetenschap en filosofie, en de scheiding tussen recht, macht en
weten. Deze perspectivische benadering, die we niet moeten verwarren met
de relativistische benadering, was eigenlijk al begonnen met Niccolò
Machiavelli. Ook hij benaderde de politiek vanuit verschillende
perspectieven: geschiedenis, macht, krijgskunst en cultuur. Volgens hem
vormt de politieke en juridische macht geen onwrikbaar historisch of
religieus geheel. Het is vaak een samenspel van contingente
gebeurtenissen. Het principe van toeval in de geschiedenis, dat bij
Machiavelli ingang vindt, zal een paar eeuwen later weer zwaar op de proef
worden gesteld door Hegel en Marx. Zij zagen juist weer de noodzakelijke
verbanden in de geschiedenis. De geschiedenis nam bij deze denkers en vele
anderen in de moderne tijd de plaats in die de scholastiek aan God
toekende. De nieuwe God heette geschiedenis in wier naam de politieke en
juridische handelingen mochten worden gelegitimeerd.
Machiavelli en Montaigne meenden dat er
geen grote lijnen zijn die de geschiedenis van de mensheid noodzakelijk
naar een bepaald punt zou doen bewegen. In deze context bestudeerde
Montaigne de koningen, rijken en hun veroveringen zodat hij de oorzaken
van hun overwinning of nederlaag kon begrijpen. Soms worden de krijgsheren
bewogen door gewone, menselijke driften. Anderen plegen weer wreedheden
omdat ze een geloof moeten verdedigen. En sommige politici sluiten vrede,
niet omdat ze vredelievend zijn, maar omdat ze zich geen oorlogen meer
kunnen veroorloven. Zo wordt stap voor stap de wereld van recht, moraal en
politiek geanalyseerd.
Montaigne leerde vragenderwijs menselijke
twijfels te onderzoeken. René Descartes institutionaliseerde in de
voetsporen van Montaigne ‘twijfel’ binnen het metafysische denken van
het westen. Niet een god of de orde van de natuur, maar het denken zelf is
bij Descartes het instituut waaraan niet meer kan worden getwijfeld. Het
humanisme wint van de scholastiek: de mens wordt het centrum van de
werkelijkheid. Nu moest de orde zelf nog aan een onderzoek worden
onderworpen, de politiek moest vanuit humanistisch perspectief worden
overdacht.
Rousseau, Montesquieu en ook Pascal waren
in hun stijl en methodiek van denken schatplichtig aan Montaigne.
Montaigne wijdt een essay aan een platonische uitspraak: filosoferen is
leren te sterven. Maar in de verlichting was het, onder invloed van
Montaigne juist de taak van de filosofie het leven en de organisatie van
het leven te overdenken en ordenen. Zonder de bemiddeling van een god,
moesten de filosofen met rationele, dus toetsbare argumenten, de
grondslagen vinden voor een rechtsorde. Een maatschappelijk verdrag zou in
de plaats komen van de goddelijke (en tegelijk politieke) scheppingsdaad.
In de geest van Montaigne analyseerde Rousseau de oorzaken van
ongelijkheid en de maatschappij. Opvoeding en ethiek werden vanuit een
geheel, voor scholastiek ondenkbare, premissen bekeken. De moderne wereld
is een bemoeizuchtige, pedagogische wereld. Daarin schuilt het idee van
maakbaarheid waarvan we geen spoor kunnen aantreffen bij Montaigne.
Welk aspect van Montaignes werk heeft de
meeste invloed gehad? Niet de inhoud van zijn essays, heeft bijvoorbeeld
Montesquieu kunnen inspireren bij het schrijven van zijn beroemde teksten
over recht en politiek. Het is de methodiek van Montaigne die anderen
inspireerde. Wat houdt die nu precies in? Het stellen van een vraag zonder
enige bevooroordeling ten aanzien van mogelijke antwoorden. Hiermee wordt
elk systematisch denken over politiek en moraal uitgedaagd. Zo kon
Montesquieu in zijn Perzische brieven de islamitische en Franse
cultuur bekritiseren vanuit het standpunt van een toeschouwer. De
politieke filosofie en literatuur bundelen in dat boek de krachten om
maatschappijkritiek te uiten. Er worden geen oplossingen aangereikt. De
kritiek zelf wordt het doel van de intellectuele arbeid.
De essays is als een wijn
uit de Bordeaux die met de jaren beter wordt. Er wordt weleens een fles
uit de wijnkelder gehaald, dikwijls door filosofen. Als dat gebeurd, geeft
een zinnetje plotseling aanleiding voor een diepgaand discours. In zijn
essay over vriendschap schrijft Montaigne een uitspraak toe aan
Aristoteles: ‘Mijn beste vrienden. Vrienden bestaan niet.’ Indertijd
werden hier en daar zinnen uit Montaignes werk toegedicht aan Aristoteles.
Hier doet het niet ter zake wie de auteur van deze uitspraak is. De
uitspraak zelf is een ernstige provocatie richting de disciplines van
moraal en politiek. Montaigne zal een paar eeuwen later door Nietzsche
worden beantwoord: ‘ “Vrienden, er zijn geen vrienden!” zo riep de
stervende wijze; “Vijanden, er zijn geen vijanden!” roep ik, de
levende dwaas.’ Het gaat hier om politiek en religie: zonder de
begrippen vriendschap en vijandschap zijn er geen politieke leiders en
profeten. De politiek theoretische implicatie van deze twee merkwaardige
uitspraken worden door Jacques Derrida onderzocht in zijn boek Politiques
de l'amitié. Politiek die een rechtsorde verdeelt in vrienden en
vijanden, leidde in de tijd van Montaigne tot gruwelijke wreedheden. Op
Sint-Bartholomeus-nacht slachtten de vrienden de vijanden. Men moet
inderdaad een levende dwaas geweest zijn om tegen die deftige horde te
zeggen: ‘Vrienden, er zijn geen vrienden!’, Vijanden, er is geen
vijand!’
Prima, quae vitam dedit, hora carpsit:
het eerste uur, dat ons het leven gaf, nam het ook weg, aldus Seneca.
Montaigne citeert deze passage om tot de conclusie te komen dat aan de
dood bouwen de permanente taak van ons leven is. Nu de dood zo
meedogenloos in het leven is genesteld, moet men op zoek gaan naar het
goede leven. Hierover bekommert zich Montaigne. Hoe kunnen wij in dit
korte bestaan het goede leven leiden? Dat en niet ideologieën, religies
en andere sacrale figuren en instituten staan voor Montaigne centraal.
Juist nu naar aanleiding van onze omgang
met de islam de discussie over tolerantie opnieuw is opgelaaid, is het
wellicht verstandig om ons te verdiepen in essays van een man die in een
tijd van intolerantie en godsdienstconflicten naar verdraagzaamheid en
vrijheid zocht. Zonder vrijheid heeft verdraagzaamheid geen serieuze
betekenis. Verdraagzaamheid mogen we niet verwarren met capitulatie. De
periode van renatio had geen duidelijk begin en einde. De wedergeboorte
was niets anders dan het herlezen, herbouwen, verbouwen en vernieuwen van
reeds bestaande mogelijkheden. Temeer in stormachtige tijden.
|