|
Eenmaal
een onvergetelijke roman schrijven en dan met een schone lei verder leven.
Het is een droom die veel twintigjarigen koesteren, en Alain-Fournier is
hun grote voorbeeld. Honderd jaar geleden schreef hij één roman, Le
grand Meaulnes, die nog steeds overal op de wereld wordt gelezen, want
er zijn weinig boeken die zo aangrijpend en ongrijpbaar vertellen over
jeugd, liefde en vriendschap.
Alain-Fournier had vast nog wel meer willen schrijven, op zijn 27ste had
hij zijn plaats in de Parijse literaire wereld al veroverd, maar een jaar
na de verschijning van zijn debuut barstte de Eerste Wereldoorlog los en
de schrijver sneuvelde in een anonieme loopgraaf dicht bij de Belgische
grens. Zijn stoffelijke resten werden pas in 1991 geïdentificeerd.
Het is vreemd te bedenken dat Le grand Meaulnes in hetzelfde jaar
verscheen als het eerste deel van Prousts A la récherche du temps
perdu, en dat beide romans eigenlijk dezelfde onderwerpen bestrijken.
Want het zijn twee compleet verschillende boeken. Meaulnes is de
ideale roman voor de literatuurlijst. Taal en stijl zijn onthutsend simpel
en de schrijver is een meester in de beperking. Meaulnes legt het
moment vast dat Fournier als achttienjarige ‘het mooiste meisje dat ooit
op de wereld was geweest’ ontmoette. In Meaulnes heet ze Yvonne,
net als in de werkelijkheid, en net als in de werkelijkheid vertelt ze
Meaulnes dat hij niet zo gek moet doen. Ze zijn nog maar kinderen.
Hiermee houdt de gelijkenis met de werkelijkheid wel zo’n beetje op,
want Fourniers ontmoeting met het mooie, ernstige meisje werd de kiem voor
een verhaal van mythische allure. In Meaulnes vertelt de manke
onderwijzerszoon François hoe zijn onbesuisde vriend, de grote Meaulnes,
op een winterdag zomaar verdwijnt. Wanneer hij vier dagen later terugkeert
is hij niet meer dezelfde. Op zijn dwaaltocht over onbekend terrein was
Meaulnes verzeild geraakt op een landhuis waar een verkleedpartij wordt
gehouden ter ere van een bruidspaar. Overal lopen kinderen rond in
lakschoenen en satijnen jakjes, want hier is de verbeelding aan de macht.
Hij trekt ook een paar lakschoenen aan, en dan ontmoet hij ‘het mooiste
meisje dat ooit op de wereld was geweest’.
Het enige probleem is dat het feest opeens eindigt - de
bruiloft gaat niet door - en later kan Meaulnes het landgoed
niet meer terugvinden. En het meisje ook niet. Het is alsof het allemaal
een droom is geweest. De rest van de roman gaat over de vele dwaaltochten
die het meisje moeten terug brengen. En tegen die tijd is het te laat. Meaulnes
gaat over de grote liefde die zelden geluk brengt, omdat hij te groot is
om vast te houden. Idealen moeten worden gekoesterd, maar wel op afstand.
Bij
herlezing, na vele jaren, valt het op dat Meaulnes ook zo’n
meeslepende roman is doordat het verhaal de manier weerspiegelt waarop we
lezen. Lezen is een tocht door onbekend terrein, en we moeten maar
afwachten of er wel een naam bestaat voor de bestemming. Meaulnes
speelt zich af in een verbeeld verleden dat ‘ver weg’ in het vaandel
heeft staan. Nadrukkelijk schuift Fournier de ontmoeting met ‘het
mooiste meisje dat ooit op de wereld was geweest’ een vol decennium
terug, de negentiende eeuw in.
En de ontmoeting vindt niet plaats in Parijs, maar in het niemandsland
diep in het hart van Frankrijk waar de Cher-rivier het enige punt van
orientatie is. Het is een achtergebleven gebied waar iedereen familie van
elkaar is en waar zelfs de slimsten nog gebukt gaan onder onwetendheid.
Uiteindelijk blijkt de domste jongen van de klas al die tijd al te hebben
geweten waar het onvindbare landgoed ligt. Hij vond het alleen niet nodig
om het te zeggen. Niemand vroeg het hem.
‘Wij zijn nog maar kinderen,’ zegt Yvonne, geschrokken van de aandrang
waarmee Meaulnes haar benadert. Geen kind zou zoiets zeggen. Het domaine
sans nom heeft ook zo’n magische aantrekkingskracht op Meaulnes
omdat het een huis is waar kinderen de baas zijn. Op het feest komt hij
nauwelijks volwassenen tegen, alleen kinderen die mooie kleren dragen uit
de tijd van hun overgrootouders. En in die kinderwereld voltrekt zich het
drama van de grote wilde jongens die voorgoed de weg kwijt raken.
De nieuwe vertaling door Mario Molengraaf moet de uit 1949 stammende
vertaling van Parool-oprichter Max Nord vervangen, die onder de
titel Het grote avontuur lang heeft meegedraaid in de
salamander-reeks. Eerlijk gezegd zie ik niet waarom Molengraaf zoveel
beter zou zijn. Zo stoort het hoe vaak het woord ‘maat’ (in de zin van
vriend) bij Molengraaf voorkomt, als vertaling van ‘compagnon’ en ‘camarade’.
Als Fournier verschillende woorden koos, mogen we van de vertaler
hetzelfde verwachten, en het is de vraag wat er mis is met ‘metgezel’
en ‘kameraad’. Een woord als ‘maat’ zou je verwachten bij ‘copain,’
maar dat komt bij Fournier niet voor.
Ook Molengraafs ouderwetse gebruik van het woord ‘bohemien’ kan
verwarring zaaien, want tegenwoordig gebruiken we dat woord niet meer voor
een rondtrekkende straatartiest, maar voor iemand die leuk in de stad
woont en ‘s avonds een fles wijn openmaakt, ongeacht of er bezoek komt.
Molengraafs ‘bohemien’ geeft wel een aardige vintage klank,
maar dat steekt lelijk af tegen het platte ‘maat.’ Fourniers taal is
opzettelijk mat, want hij is geen Proust. Hij gebruikt de eenvoudige taal
van onze dromen. Maar die moet niet nog een keer worden vereenvoudigd,
want Le grand Meaulnes is een roman die we minstens één keer in
ons leven moeten lezen.
www.hermanstevens.nl
Lees
ook:
- Red
de vlinder van de vergetelheid
- Margot Dijkgraaf over Patrick Modiano
|